Snelstartgids voor spiegelreflexcamera's

Je hebt je eerste spiegelreflexcamera gekocht. Laat die mooie foto's maar komen! Toch? Hoewel de basis van fotografie niet moeilijk is, zijn er wel een paar regels waar je je aan moet houden. In dit artikel vind je een aantal van die basisregels. Hou je camera bij de hand en probeer eens wat instellingen uit. Je zult merken dat je hierna een stuk zelfverzekerder op pad gaat. Ook je resultaten zullen er zichtbaar op vooruit gaan.

Elke camera heeft een automatische stand. Hiermee kun je snel van start en maak je, technisch gezien, goede foto's. Voor sommige fotografen is dit voldoende. Anderen willen meer creatieve controle over hun foto's. Lees hier hoe je, op een eenvoudige manier, meer controle over je camera neemt.

1. Het keuzewiel

Op het keuzewiel staan een aantal vast programmastanden die je gebruikt om te fotograferen. De verschillende standen zijn aangeduid met "Auto, A, P, S en M". Verder staan er misschien nog meer icoontjes op, deze zijn onderdeel van de automatische programmastand. Het kan zijn dat de aanduidingen op jouw camera anders zijn, bijvoorbeeld "Av, Tv, P en M". Dit komt omdat fabrikanten verschillende aanduidingen gebruiken, het effect van de instelling is echter hetzelfde. De aanduidingen staan voor de volgende Englse afkortingen: Aperture Priority, Shutter Priority, Program en Manual.

Aperture Priority (A of Av)
Aperture is het Englse woord voor diafragma. Met het diafragma controleer je hoeveel licht er door de lens op de beeldsensor kan vallen. Ook controleer je met het diafragma het scherptediepte-bereik. Het diafragma wordt gemeten in f-stops en wordt weergegeven als een f met een nummer erachter. Bijvoorbeeld f/2, f/2.8, f/3.5, f/5.6 etc. Een grote diafragma-opening wordt weergegeven met een laag f-nummer, bijvoorbeeld f/1.4. Een kleine diafragma-opening wordt weergegeven met een hoog f-nummer, bijvoorbeeld f/22.

Het diafragma is een van de belangrijkste aspecten van fotografie omdat je directe invloed uitoefent op het scherptediepte-bereik, dit bepaald welk deel van de foto scherp is. Met een groot f-nummer, zoals f/22, creëer je een groot scherptediepte-veld. Hierbij is een groot deel van de foto scherp.

Diafragma f/22

Met een klein f-nummer, zoals f/1.8, creëer je een klein scherptediepte-veld. Hierbij is een klein deel van de foto scherp.

Diafragma f/1.8

Wanneer je het diafragmavoorkeur-programma gebruikt kiest de camera zelf de geschikte sluitertijd voor een correct belichte foto.

Shutter Priority (S of Tv)
Shutter is het Engelse woord voor sluiter. Met de sluiter bepaal je hoe lang er licht door de lens op de beeldsensor valt. De sluitertijd wordt, zoals het woord al deels aangeeft, gemeten in een tijdseenheid van seconden. Meestal gebruik je sluitertijden die fracties van seconden beslaan zoals 1/800 seconde. Hoe langer de sluiter openstaat, hoe meer licht er op de beeldsensor valt. Hoe korter de sluiter openstaat, hoe minder licht er op de beeldsensor valt. Elke nieuwe camera heeft tegenwoordig een slim lichtmeetsysteem, dit hoef je dus zelf niet meer te doen. Je kiest voor een korte sluitertijd wanneer je onderwerp in beweging is, en je deze beweging wil bevriezen. Bijvoorbeeld tijdens een sportwedstrijd.

Snelle sluitertijd

Je kiest voor een lange sluitertijd wanneer je bewegingen wil laten uitvloeien. Bijvoorbeeld de beweging van water.

Langzame sluitertijd

Wanneer je het sluitertijdvoorkeur-programma gebruikt kiest de camera zelf het geschikte diafragma voor een correct belichte foto.

Program (P)
De programmastand is een middenweg tussen de halfautomatische A- en S-standen en de volledig handmatige M-stand. In de P-stand kun je zowel de sluitertijd als het diafragma beïnvloeden. Wanneer je het diafragma aanpast zal de camera de juiste sluitertijd selecteren voor een correct belichte foto. Pas je de sluitertijd aan, dan zal de camera het juiste diafragma selecteren voor een correct belichte foto.

Manual (M)
Manual is het Engelse woord voor handmatig. In de handmatige stand heb je als fotograaf volledige controle over de sluitertijd en het diafragma. De camera grijpt niet meer in als de foto overbelicht (te licht) of onderbelicht (te donker) wordt. In de handmatige stand is een lichtmeter zichtbaar in de viewfinder of op het scherm. Deze geeft aan in hoeverre de foto correct belicht zal worden met de huidige instellingen.

2. ISO-instellingen

Manual is het Engelse woord voor handmatig. In de handmatige stand heb je als fotograaf volledige controle over de sluitertijd en het diafragma. De camera grijpt niet meer in als de foto overbelicht (te licht) of onderbelicht (te donker) wordt. In de handmatige stand is een lichtmeter zichtbaar in de viewfinder of op het scherm. Deze geeft aan in hoeverre de foto correct belicht zal worden met de huidige instellingen.

Lage ISO-getallen
Wanneer je buiten in een zonnige omgeving fotografeert is er veel licht wat door de lens op de beeldsensor kan vallen. De beeldsensor hoeft in deze situatie niet zo gevoelig voor licht te zijn. Je gebruikt dus een lage ISO zoals ISO 100 of ISO 200. Deze instelling geeft je een foto van de hoogst mogelijke kwaliteit met weinig ruis.In theorie zou je het ISO-getal dus zo laag mogelijk moet houden om de beste foto te maken. Zoals hierboven beschreven kan dit niet altijd. In die gevallen kies je voor een hogere ISO-instelling.

Alle moderne camera's hebben de mogelijk om automatisch de juiste ISO-instelling te kiezen bij een combinatie van diafragma en sluitertijd. Wil je hier zelf controle over? Stel dan in het cameramenu een vast ISO-gevoeligheid in. Houd er wel rekening mee dat je sluitertijden zullen stijgen als er minder licht beschikbaar is. Wil je toch met een lage ISO-gevoeligheid blijven werken bij weinig licht? Maak dan gebruik van een statief.

Hoge ISO-getallen
Wanneer er weinig licht beschikbaar is, zoals tijdens de schemering of in een museum, kan er ook niet veel licht door de lens op de beeldsensor vallen. Een hoog ISO-getal zoals ISO 1600 verhoogt de lichtgevoeligheid van de beeldsensor. Nu kun je ook met het weinige licht wat er is een goed belichte foto maken. Het nadeel van een hoge ISO-instelling is dat er ook ruis zichtbaar wordt. Deze ruis is het beste zichtbaar op donkere plekken zoals schaduw.

ISO-vergelijking

3. Scherpstellen

Een lens bestaat uit veel bewegende delen die slim in elkaar zitten. Gelukkig hoef je de werking hiervan niet te begrijpen om een scherpe foto te maken. Er bestaan 2 mogelijkheden om scherp te stellen, automatisch en handmatig. Wanneer je automatische scherpstelling gebruikt zijn er 2 instellingen die belangrijk zijn om te onderscheiden, namelijk AF-S en AF-C.

Autofocus Single (AF-S)
Je gebruikt de enkelvoudige autofocus als je onderwerp stilstaat, bijvoorbeeld bij landschap- of architectuurfotografie. Wanneer je de sluiterknop half indrukt stelt de camera 1 keer scherp. Wil je de compositie veranderen? Dan moet je hierna nogmaals de sluiterknop half indrukken.

Autofocus Continous (AF-C)
De continue autofocus komt goed van pas bij bewegende onderwerpen, zoals dieren of kinderen. Wanneer je de sluiterknop half ingedrukt houdt blijft de lens op je onderwerp focussen, ook als deze van positie veranderd.

Focuspunten
Allebei de autofocusmethoden werken met focuspunten. Wanneer je door de viewfinder van je camera kijkt zie je een aantal vakjes verspreid over het kader. Wanneer je de sluiter half indrukt zie je 1 of meer van deze vakjes oplichten. Dit zijn de focuspunten die de camera gebruikt. Hoeveel focuspunten een camera heeft is afhankelijk van het model. Hoe meer focuspunten, hoe eenvoudiger je ervoor kunt zorgen dat je onderwerp onder 1 van de punten valt.

Viewfinder

Er zijn verschillende mogelijkheden om te bepalen welk punt, of welke punten, de camera gebruikt om te focussen. Je kunt de camera automatisch laten kiezen welk punt in focus zal zijn. Vaak is dit een onderwerp wat groot of dichtbij is. Je kunt ook zelf kiezen welk focuspunt je wil gebruiken. Kijk hiervoor in de handleiding van je camera.

4. Witbalans

De witbalans van de camera bepaalt hoe de kleuren er op de foto uit komen te zien. Om een natuurlijke weergave van de werkelijkheid te krijgen is het belangrijk dat de witbalans goed is ingesteld. Elke lichtbron geeft een ander soort licht en heeft een andere lichtkleur. Vergelijk het licht van een kaars maar met een TL-lamp. De kaars geeft een veel warmer en geler licht dan de meer koude en witte kleur van de TL-lamp. De kleurtemperatuur van de meest bekende lichtbronnen is goed bekend en in je camera's voorgeprogrammeerd. Als je deze situaties leert herkennen kun je ervoor zorgen dat je altijd de juiste kleuren op de foto krijgt. In het menu van witbalans vind je de volgende instellingen: daglicht, bewolkt, schaduw, gloeilamp, TL-lamp, flitlichts en automatisch.

Daglicht
Gebruik deze instelling op zonnige, onbewolkte dagen.

Bewolkt
Wanneer het bewolkt is wordt het omgevingslicht koeler, deze instelling compenseert dit.

Schaduw
In de schaduw worden je foto´s snel te koel en te blauw. Deze instelling zorgt voor een warmer effect.

Gloeilamp
Gloeilampen en straatlantaarns produceren een warm en geel licht. Deze instelling zorgt voor wat koelte bij deze warme lichtkleuren.

TL-lamp
Fotografeer je in een omgeving met TL-licht? Dan kunnen je foto's snel groen-blauw worden. Gebruik deze instelling om dit te voorkomen.

Flitslicht
Flitslicht is koud en wit van kleur, deze instelling voegt warmte toe aan je foto.

Automatisch
In de instelling kiest de camera zelf de meest geschikte witbalans. Dit zal in de meeste situaties goed gaan. Zie je dat je foto's een vreemde kleur krijgen, selecteer dan een andere witbalans.

Witbalans

Het is belangrijk om je camera-instellingen te controleren voordat je gaat fotograferen. Heb je de avond ervoor bij straatlicht gefotografeerd met een hoge ISO en met een witbalans voor gloeilampen? De hoeveelheid licht en de kleur van het licht is nu waarschijnlijk compleet anders. Als je door fotografeert met de oude instellingen zullen je foto's veel ruis hebben en een vreemde kleur.

Alle spiegelreflexcamera's

Eerder bekeken door jou